| ‘Wederoprichting’ (8) |
| Het eerste notulenboek is hiermee vol. Als men al met een nieuw exemplaar begonnen is, is dat waarschijnlijk niet voor lang geweest. Achterin het eerste ligt een los blaadje met notulen van een bijzondere vergadering op 22 maart 1907 die gewijd is aan de voorbereiding van een door de leden van Q.B.D. op te voeren proces. Ergens na 1907 moet Q.B.D. het loodje hebben gelegd. Dat is in elk geval de visie die aan het begin van het andere notulenboek dat boven water is gekomen, wordt gepresenteerd. Deze in 1926 beginnende ‘Notulen en Fata Memorabilia der Juridische Faculteitsvereeniging aan de Vrije Universiteit onder de zinspreuk: “Qui Bene Distinguit Bene Docet” -opgericht 14 November 1892′ worden allereerst van een historische toelichting voorzien: voor 1926 was Q.B.D. officieel juridisch dispuutgezelschap en tevens faculteitsvereniging. Op de vergadering van 29 oktober 1926 is dit omgedraaid: faculteitsvergadering, tevens dispuutgezelschap. ‘Dit. ..is echter slechts formeele fraaiigheid, en dient om Q.B. etc. formeel niet al te veel geweld aan te doen, en niet botweg met het verleden te breken’. Wat is er gebeurd volgens abactis M.J.C. van Meetelen die dit schrijft: Q.B.D. is ‘indertijd’ gestrand, doordat het steeds moeilijker werd mensen bereid te vinden tijd te steken in het door het oude reglement geeiste disputeren. Om een nieuwe stranding te voorkomen wil men nu het element Juridische faculteitsvereniging’ doen ‘praedomineeren’. ‘Men zal thans het opschrift op de voorpagina voldoende verklaard en afdoende gerechtvaardigd achten, temeer waar Q.B. etc. steeds ook Jurid. Facult. Vereen. geweest is’. Op dat laatste is wel wat af te dingen.Het initiatief voor de ‘wederoprichting’ is uitgegaan van J.F. van Leeuwen, de al genoemde van Meetelen en O.G. Sap. Bij de wijziging van het reglement zijn nog zeven andere leden betrokken, onder wie Gesina (Gee) van der Molen, later een van de weinige vrouwelijke hoogleraren die de juridische faculteit van de VU tot op heden heeft gekend. Kort daarop vindt de viering van de 34e dies plaats, waarbij ook de hoogleraren, onder wie de pas benoemde Dooyeweerd, aanwezig zijn. Hoewel aan de festiviteiten een intiem karakter is toebedacht en de professoren is verzocht geen avondkleding te dragen duurt het lang voordat het ijs gebroken is. Uiteindelijk lukt dat toch. Prof. P.A. Diepenhorst doet zelfs ‘openhartig de confessie, dat hij zich er niet veel van had voorgesteld, maar dat het hem zeer meeviel’. Anema deed een duit in het zakje door te stellen dat hij vroeger als jong professor veel aan Q.B.D. gehad heeft. Zo verhaalt hij dat hij problemen met het geven van een ‘onmogelijk’ college wisselrecht geheel en al kwijt raakte ‘toen ter gelegenheid van een Q.B. avond de heer Willem van Loon een zoo geestige speech hield, dat zelfs Fabius, die anders toch niet gemakkelijk uit de plooi kwam, de tranen langs de wangen rolden’. Tenslotte spreekt hij er zijn leedwezen over uit dat er niet meer meisjesstudenten aanwezig zijn en brengt een dronk uit op de ‘eenig-aanwezige dames-studente Mej. G.H.J. van der Molen’. De voorzitter van Q.8.D. moet hier moed uit geput hebben. ‘Wat ondeugend’ merkt hij in een tafelrede op de hoogleraren wel eens te hebben gezien als ‘gedroogde stokvisschen’, maar van die mening is hij nu genezen. Onmiddellijk hierop springt Diepenhorst op, ‘zooals te verwachten was’, en herinnert aan een feit dat hij kort geleden op college heeft meegedeeld, namelijk dat in Engeland in de vorige eeuw, toen er problemen rezen ver de vraag hoe mummies van Egyptische koningen voor de invoerrechten moesten worden geclassificeerd, maar besloten werd ze als gedroogde vis aan te slaan. ‘En als om kolen vuurs op (of in) het hoofd van den snooden praeses van Q.B. te Iaden, deden de professoren hun champie in de glazen der studenten stroomen’. Na de ‘zondvloed van toasten en speeches’ is er nog ‘een kopje koffie…en praatte men nog wat, onder het genot van cigaar of cigaret’. Tot ongeveer kwart voor twaalf. |

