De rest van het eerste jaar (5)
Op de twee eerste vergaderingen waarop Q.B.D. zijn contouren heeft gekregen volgen er in het cursusjaar 1892-1893 nog zes. Van de regelmaat die het reglement voorschrijft komt al meteen niet veel terecht, getuige de data 14 december, 3 februari, 27 februari, 20 maart, 1 mei en 23 mei. Ook slaagt men er niet in op elke vergadering twee stellingen aan de orde te stellen. De eerste keer is het er een. Aan het slot van die vergadering van 14 december 1892 wordt op voorstel van Jonker besloten ‘ditmaal van de regel af te wijken en op de volgende vergadering slechts eene thesis te behandelen’ en dat terwijl men zojuist een eerste bijeenkomst met een stelling achter de rug heeft!

Die allereerste stelling is door de praeses ingebracht en luidt: ‘Het Nederlanderschap van art. 5 [sub] 3 BW wordt verkregen door de geboorte onder den mits der vestiging’. Het is een zodanige formulering dat opponens (Bavinck) en defendens (Van Andel) in de gelegenheid worden gebracht hierover blijvend met elkaar van mening te verschillen. ‘In zijn repliek verklaart de opponens zich teleurgesteld door wat de defendens heeft gezegd’, terwijl de defendens daarop, ‘met een hernieuwd beroep op de Ietter der wet’, antwoordt ‘dat hij zich nog onverzwakt gevoelt in zijn positie en geen reden ziet zijn opinie prijs te geven’. Nadat de debaters nog een derde maal het woord hebben gevoerd en er verder niemand uit de vergadering oppositie wil voeren is er nog gelegenheid voor ‘de kritiek’. Die lijkt redelijk openhartig te zijn geweest. Over het ‘gevoerde dispuut’ denken de overige leden ‘over ‘t algemeen tamelijk gunstig’. De gebezigde bewoordingen beoordeelt men echter als ‘min parlementair’, terwijl de opponens ‘eenigszins verward was en niet beslist genoeg (heeft) gesproken’. Het oordeel over de stelling is unaniem negatief: ‘vrij onbeduidend en onbelangrijk’. Ook omdat daarvoor tijd en ruimte ontbreekt kunnen we niet verder op deze discussie ingaan. Heel merkwaardig is trouwens dat het verdwijnen van het genoemde wetsartikel uit het BW, als gevolg van de Wet op het Nederlanderschap van -nota bene- 12 december 1892, als we op de notulen mogen afgaan bij het dispuut geen rol speelde. De stellingen die op de andere vergaderingen worden betrokken hebben achtereenvolgens tot onderwerp: actief kiesrecht, doodstraf, bezit (wegens tijdgebrek van de defendens niet doorgegaan), vervolging van de Sociaal-Democratische Bond en tenslotte de minimum-loon- kwestie van die dagen: behoort het loon van de arbeider toereikend te zijn voor een menswaardig bestaan? De actualiteit schuwt men dus bepaald niet. Ook de interne regels van het gezelschap worden voortdurend up-to-date gehouden, al dan niet door wijziging van het reglement: zo wordt definitief besloten het aantal stellingen dat per vergadering zal worden verdedigd tot een te beperken (3 februari 1893) en de band met het Corps wordt doorgesneden, ‘omdat naar het oordeel van een der leden de tegenwoordige toestanden in het Corps het aan een fatsoenlijk mensch haast onmogelijk maken lid van dat Corps te blijven’ (27 februari). Een woordenwisseling over de vraag of de hoogleeraren telkens voor iedere vergadering of nu en dan maar eens, of eens voor altijd zullen uitgenoodigd worden’ leidt tot een nieuwe redactie van artikel 8: ‘De vergaderingen zijn toegankelijk voor de Hoogleeraren der universiteit’ en we zien ze daarna ook in de regel in de notulen terug. Voor het eerst is dat prof. W .H. de Savomin Lohman, op I mei 1893. Hij stelt voor bij de behandeling van het onderwerp van die avond in de vorm van een rechtszitting te doen plaatsvinden. Aldus geschiedt.

 

<< Vorige Volgende >>