| De oprichting (3) |
|
Het oudste exemplaar van deze twee aanwinsten maakt met zijn eerste bladzijden (’No. I’ en ‘Boek der Notulen van de vergaderingen van het Juridisch Dispuutgezelschap’ onder de zinspreuk ‘Qui bene distinguit, bene docet’) meteen al duidelijk dat we hier met het oudste archiefstuk te maken hebben, en dat Q.B.D. niet als een faculteitsvereniging, maar als een ‘dispuut’ begonnen is. Later horen we meer over dit verschil. De eerste tekst uit dit notulenboek, de ‘Geschiedenis van het ontstaan van het Juridisch Dispuutgezelschap’ (voorgelezen en gearresteerd op de vergadering van 3 februari 1893) zegt er dit van: de al lang bij enige studenten van de juridische faculteit bestaande plannen om te komen tot oprichting van een ‘gezelschap van juristen….dat zich ten doel zou stellen elkander te oefenen in het debat’ waren in de eerste jaren van de VU moeilijk te realiseren wegens gebrek aan voldoende studenten. Als we zien dat zich in de cursusjaren 1880-’81 tot en met 1891-’92 gemiddeld per jaar nog geen twee studenten voor de juridische studie lieten inschrijven, dan kunnen we ons daarbij wel iets voorstellen. ‘Eindelijk echter meenden de heeren L. van Andel en A.F. de Savomin Lohman (jr.) de zaak niet langer te moeten uitstellen’. Zij, ingeschreven in respectievelijk 1889 en 1890, nodigen ter bespreking van hun plannen een aantal medestudenten uit. Uiteindelijk voegen zich op 14 november 1892 ten huize van ‘de heer Lohman’ bij de twee initiatiefnemers: H. W. Hovy, J. Jonker en J.G. Bavinck. J. Schokking die ook is uitgenodigd, heeft teruggeschreven dat hij helaas wegens zijn ‘vergevorderde studien’ niet kan meedoen. Lohman zet nog eens uiteen wat de bedoeling is: een ‘club’ waar juristen elkaar in het debatteren en disputeren kunnen bekwamen kent de VU nog niet. Wel is er voor juristen ‘Keuchenius’, een vereniging die echter, zo meent hij, voor juristen ‘te hoog’ gaat. Jonker vraagt of de nieuwe debatteerclub voor alle studenten zonder ballotage toegankelijk zou moeten zijn. Hierover ontwikkelt zich een ‘levendige discussie’. Jonker eist een royaal toelatingsbeleid, Bavinck zou de mogelijkheid van beperking niet geheel willen uitsluiten. Eerstgenoemde wint: alle juridische studenten aan de VU mogen lid worden, zij het dat ze wel tevens lid dienen te zijn van het Studentencorps. Vervolgens wordt op deze oprichtingsvergadering over de ‘huishoudelijke inrichting’ van het gezelschap gesproken. Afgesproken wordt dat op elke vergadering twee stellingen zullen worden behandeld en dat voor elke stelling een ‘defendens’ en een ‘opponens’ zullen worden aangewezen. Deze stellingen moeten een onderwerp van juridische of economische aard betreffen. Verder wordt onder andere besloten dat de vergaderingen om de veertien dagen, op donderdagen, ten huize van een der leden zullen worden gehouden. Ze zullen door de praeses worden geopend met gebed en met dankzegging besloten. Contributie zal niet worden geheven; de kosten zullen hoofdelijk worden omgeslagen. Een commissie bestaande uit Hovy en Van Andel zal een en ander verder uitwerken in een concept-reglement. << Vorige Volgende >> |
