| 1893-1903 (6) |
|
In de jaren die in het eerste notulenboek te volgen zijn bedraagt het aantal vergaderingen gemiddeld vijf per jaar. In de cursussen 1893-1894,1898-1899 en 1903-1904 benadert men het ideaal met acht of negen vergaderingen. In de tussenliggende jaren zijn het er veel minder, in het jaar 1895-1896 zijn er in het geheel geen notulen opgetekend, al blijkt ergens dat er toen tenminste een vergadering moet zijn geweest. Misschien zijn de moeilijkheden die hebben geleid tot het vertrek van de heren de Savornin Lohman hier (mede) debet aan geweest. Inhoudelijk en qua aanpak wordt de toon die in het eerste jaar is gezet volgehouden. Met een kleine bloemlezing uit de vele boeiende details moet hier worden volstaan. De onderwerpen blijven niet zelden getuigen van actualiteit en controverse, zoals: drukpersdelicten (22 januari 1894), het gezantschapsrecht van de paus (27 februari 1 894), lijkverbranding (l2 maart l894), staatsarmenzorg (vergadering niet doorgegaan). Maar ook tijdloze of juist -op het oog althans- tijdgebonden onderworpen schuwen de debaters niet: ‘periculum est emptoris’ (l8 april 1 894), respectievelijk ‘de rechtmatigheid van de afzwering van Philips II’ (14 juni 1894). Het laatste onderwerp behandelt men ten huize van A.F. de Savornin Lohmanjr. (P.C. Hooftstraat 148), die ook de oppositie verzorgt. Zijn vader (prof. A.F. sr., evenals zijn broer prof. W.H. aanwezig) zegt met veel genoegen de discussie aangehoord te hebben. ‘Wegens het vergevorderde uur wenscht hij slechts eene opmerking te maken’. Hij spaart daarbij zijn zoon niet, maar eindigt met hem en defendens Bavinck te complimenteren. De voorbereiding heeft A.F. jr. zo opgeslokt dat hij, inmiddels abactis, geen notulen heeft kunnen maken. De daarop staande boete wordt hem (met zes tegen drie stemmen! !) kwijtgescholden. Zelf is hij niet altijd even lankmoedig. In de notulen van de vergadering van 18 april 1894 schrijft hij over Ter Weele: ‘De defendens hield een lange inleiding, die ongetwijfeld veel belangrijks bevatte. Vol vuur, om al wie tegen zijn stelling iets zou durven zeggen af te maken, had hij reeds te voren alle mogelijke argumenten tegen de stelling bijeengezameld en getracht te weerleggen. Maar een fout had de referent, nl. dat men hem niet volgen kon, en door de opeenstapeling van alle mogelijke en onmogelijke stelsels, en omdat hij onverstaanbaar praatte’. Van de studentikoze vergadercultuur, die overigens tot ver in de jaren zestig is blijven voortbestaan, zijn in de notulen vele blijken te vinden: jaarverslagen van abactis en fiscus, ‘recodificatie van het reglement’, een motie van wantrouwen tegen de praeses, stemmingen en herstemmingen, het nemen van besluiten over het besluiten van de discussie en het doorzakken tot een uur of vier. Ver verleden, jong verleden en heden worden bovendien in dit eerste notulenboek met elkaar verbonden door namen als De Gaay Fortman (B.), Diepenhorst (P.A), Rutgers (V.H.) en Verdam (J.). In de aanwezigheid van hoogleraren -in de jaren 1896-1904 was het er overigens slechts een -komt de klad. In de notulen van 31 januari 18991ezen we dat prof. Fabius blijft weigeren de vergaderingen van Q.B.D. te bezoeken wegens het ‘gedrag van enkele H.H. studenten’. Vermoedelijk betreft het ‘te ongeregeld college-bezoek en te spaarzamelijk bezoek der professorale woning’.s De stelling waarover op deze vergadering wordt gediscussieerd luidt: ‘Het onderzoek naar het vaderschap behoort onbeperkt te worden toegelaten’. In deze periode is het gebruikelijk niet alleen de namen te vermelden van degenen die aan oppositie en kritiek hebben deelgenomen, maar ook zij die daarvan hebben afgezien. Op de volgende vergadering, 14 maart, worden maar liefst drie Romeinsrechtelijke stellingen aan de orde gesteld, maar een weergave van de discussie blijft de abactis bespaard, een nieuwigheid die in dat jaar vaker voorkomt. Voor P.A. Diepenhorst is het een spannende tijd. Op de vergadering van 27 oktober 1899 wordt hij wegens afwezigheid beboet met 50 cent, tot abactis gekozen en tot opponens voor de volgende vergadering aangewezen. Van een en ander zal hem ‘bericht worden gezonden’. Op de volgende vergadering, 14 november, tevens de dies natalis, wordt in zijn aanwezigheid een brief van hem voorgelezen, ’strekkende, om een door hem te voren gezonden schrijven, waarin hij zijn lidmaatschap neerlei, van kracht te berooven’. Later tijdens deze vergadering wordt hij niet tot abactis, maar tot fiscus geinstalleerd, opponeert hij tegen een stelling over de rechtspositie der ‘Inlandsche christenen’ en discussieert hij tenslotte over de wijze van debatteren met Fernhout. Eind 1900 (8 december) wordt hij als voorzitter geinstalleerd. Bij de rondvraag vraagt het nieuwe lid Praetorius om een reglement en ‘om de beteekenis van “Q.B.D.B.D.”. De voorzitter dient hem van antwoord’. << Vorige Volgende >> |
